Ongewenst zwanger

Je bent onbedoeld zwanger en in korte tijd moet je, al dan niet samen met je (ex)partner of met andere voor jou belangrijke mensen, een ingrijpende beslissing nemen. Wil je het kind houden, wat betekent het dan om (opnieuw) (jong) moeder/ouders te worden? Besluit je het kind niet te houden, welke mogelijkheden zijn er dan? Kies je ervoor het kind na de geboorte af te staan, het tijdelijk onder te brengen in een pleeggezin of overweeg je een abortus?

Iedere vrouw die ongewenst zwanger is, kan in Nederland een abortusbehandeling krijgen. De ingreep wordt medisch verantwoord uitgevoerd bij erkende klinieken. In Nederland kun je daarvoor terecht bij een abortuskliniek. Voor verdere informatie hierover zie de volgende links:

www.casa.nl
www.fiom.nl
www.stimezo.nl
www.stisan.nl

De rest van deze pagina gaat over zwangerschapsafbreking zoals beschreven in de richtlijn van de NVOG (www.nvog.nl).


1.1 Doel van de richtlijn

Een zwangerschapsafbreking vindt plaats op verzoek van de vrouw. De behandeling gebeurt op sociale of medische indicatie. De meerderheid van zwangerschapsafbrekingen op sociale indicatie vindt plaats in het eerste trimester. Veelal is de gebruikte contraceptie mislukt. Bij een medische indicatie betreft het meestal een foetus met verdenking op een aangeboren of erfelijke afwijking of aandoening, waardoor een in opzet gewenste zwangerschap wordt afgebroken. Het is gebruikelijk dat deze zwangerschapsafbreking  in ziekenhuizen plaatsvindt en vrijwel altijd door middel van een medicamenteuze behandeling, hoewel instrumentele behandeling tot de opties behoort. Doel van deze richtlijn is het beschrijven van de zorg en de methoden voor zwangerschapsafbreking (abortus, abortus provocatus lege artis, APLA) tot 24 weken. Zowel instrumentele als medicamenteuze methoden komen aan bod. Voor deze richtlijn heeft de RCOG-guideline ‘The care of women requesting induced abortion' van 2004 model gestaan. De Nederlandse wettelijke regelgeving is verwerkt. Daarnaast is gezocht naar na september 2003 verschenen RCT's en meta-analyses. Instrumentele behandelingen in het tweede trimester door middel van embryotomie vinden in Nederland vrijwel uitsluitend plaats in abortusklinieken en komen in deze richtlijn niet aan bod.


1.2 Wettelijke regelingen

De Wet afbreking zwangerschap (WAZ) die in 1984 in werking trad, beschrijft voorwaarden voor het verrichten van abortus provocatus. Klinieken en ziekenhuizen die deze behandeling toepassen, dienen over een vergunning te beschikken. Voor behandelingen na dertien weken is een speciale vergunning vereist, die ziekenhuizen na aanvraag automatisch verkrijgen. Sommige abortusklinieken hebben alleen een vergunning voor eerstetrimester-hulpverlening. Hoewel de WAZ geen termijn noemt voor toelaatbare afbreking van de zwangerschap, verbiedt artikel 82a van het Wetboek Strafrecht het aborteren van een als levensvatbaar te beschouwen vrucht. Een zwangerschapsduur van 24 + 0 weken wordt momenteel als grens gehanteerd. De zwangerschapsduur kan bij deze termijn echoscopisch met een marge van ongeveer twee weken nauwkeurig worden vastgesteld. In de praktijk betekent dit dat echoscopische maten die passen bij 22 weken de grens van wettelijk toegestane abortus aangeven bij onzekere of onbekende amenorroe. Wanneer geen echoscopisch onderzoek verricht wordt en slechts van conventionele middelen gebruik wordt gemaakt om de zwangerschapsduur te schatten, moet de grens van 20 weken amenorroeduur aangehouden worden. De marge van onnauwkeurigheid wordt hierbij geschat op 4 weken (Wetboek van Strafrecht - Suppl III (oktober 2000); Artikel 82a. Jurisprudentie: NJ 1991, 217). Rapportage van verrichte APLA's, inclusief die verricht op medische indicatie, dient eenmaal per kwartaal aan de Inspectie voor Gezondheidszorg (IGZ) plaats te vinden. Een APLA mag niet worden verricht binnen vijf dagen nadat de vrouw haar voornemen hiertoe met de arts besproken heeft. Deze termijn geldt vanaf het eerste bezoek aan een arts, veelal de huisarts. Noodsituaties maken een uitzondering op deze regel binnen de abortuswet (artikel 16 lid 2) mogelijk. Overigens is de verplichte Nederlandse bedenktijd van vijf dagen in strijd met de WHO-richtlijn, die stelt dat verplichte wachttijden bijdragen aan een onnodig uitstel van behandeling en een vermindering van de veiligheid. De vertijdbehandeling (OTB) tot 16 dagen na de verwachte menstruatie valt niet onder de WAZ. De bedenktijd en de noodzaak tot rapportage aan de IGZ betreffen niet de OTB, alhoewel dit laatste in de praktijk wel gebeurt.

Speciale situaties: arts heeft (gemoeds)bezwaren tegen de abortus provocatus

De hulpverlener heeft in dit geval de plicht de vrouw met een verzoek tot abortus hiervan onverwijld op de hoogte te stellen (art. 3 WAZ), in ieder geval uiterlijk vijf dagen na een eerste consult, en bij bezoek aan een tweede arts uiterlijk na drie dagen. Hoewel de WAZ dit niet voorschrijft, is doorverwijzing naar een andere hulpverlener die deze bezwaren niet heeft, een kwestie van respectabel hulpverlenerschap. Wanneer de arts de vrouw niet verwijst moet zij een gedateerde schriftelijke kennisgeving krijgen waarin ten minste de datum van het contact vermeld staat.

Speciale situaties: minderjarigen

Meisjes van 16 en 17 jaar hebben dezelfde positie als die van 18 jaar en ouder, mits zij in staat zijn hun eigen belangen te behartigen. Meisjes van 12 tot 16 jaar hebben formeel toestemming nodig van hun wettelijke vertegenwoordigers, die in het algemeen recht op informatie hebben. Het meisje kan verzoeken de wettelijke vertegenwoordiger niet in te lichten. Indien de arts de behandeling noodzakelijk acht, bepaalt de WGBO dat toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger achterwege kan blijven. Voor behandelingen bij meisjes jonger dan 12 jaar is toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger noodzakelijk. De arts moet voor zover mogelijk het meisje inlichten. Als een minderjarig meisje formele toestemming van haar ouders weigert, verdient het aanbeveling haar toch te stimuleren er met haar ouders over te praten. In een situatie waarin zij dit absoluut niet wil, is extra alertheid op de mogelijkheid van zwangerschap als gevolg van seksueel misbruik noodzakelijk.


1.3 Voorkomen

In 2003 werden ruim 33.000 OTB's en abortussen aan de IGZ gemeld. Bijna 29.000 van deze vrouwen woonden in Nederland. Het aantal abortussen bij in Nederland wonende vrouwen van 15 tot 44 jaar is gestegen van 5,2 per 1000 vrouwen in 1990 naar 8,0 per 1000 in 2000 en 8,5 per 1000 vrouwen in 2003. Meer dan 90% van de abortussen in Nederland vindt plaats in abortusklinieken. In 2003 werden in Nederland bijna 1900 zwangerschapsafbrekingen door ziekenhuizen gerapporteerd, waarvan 270 in het tweede trimester, op een totaal van 4836 tweedetrimester-zwangerschapsafbrekingen. Het aantal abortussen op medische indicatie wordt niet separaat door de IGZ geregistreerd. Voor het jaar 2002 rapporteerde de Werkgroep Prenatale Diagnostiek 495 zwangerschapsafbrekingen.


2.1 Intake

De intake kent drie onderdelen:

Het gesprek over procedure en nazorg vindt bij voorkeur plaats na verifiëring van de diagnose intacte intra-uteriene zwangerschap en de termijn.


Anamnese en besluitvorming

Bij het verzoek tot een zwangerschapsafbreking op sociale indicatie is het van belang na te gaan waarom de zwangerschap ongewenst is. Was er contraceptie gebruikt? Zo ja, waarom faalde deze? Was die niet gebruikt, waarom niet? Was het seksuele contact vrijwillig of niet? Bestaat er een extra risico op een SOA als gevolg van dit contact? Een geďnteresseerde en niet-veroordelende attitude van de hulpverlener, ook bij een recidief-abortus, is bij de anamnese en counseling noodzakelijk.Het is van belang, en ook vereist in de WAZ, om na te gaan of de vrouw zelf achter het besluit staat en niet onder druk gezet wordt door partner of anderen. Een open vraag hoe de vrouw de besluitvorming heeft ervaren, kan hier inzicht in geven. Bij twijfel verdient het aanbeveling hulp in te roepen van een psychosociale hulpverlener. De WAZ stelt dat de arts zich ervan moet overtuigen dat een APLA de enige oplossing voor de noodsituatie van de vrouw is. De wet geeft geen nadere omschrijving van deze noodsituatie, die door individuele factoren bepaald wordt. Wel kan de IGZ (geanonimiseerd) aantekeningen hierover opvragen. De arts dient volgens de WAZ voorlichting te verstrekken aan de vrouw over andere oplossingen van haar noodsituatie dan het afbreken van de zwangerschap (adoptie). Hoewel gebruikelijk in abortusklinieken, wordt een door de vrouw ondertekende informed-consentverklaring noch door de WGBO, noch door de WAZ verlangd. De arts heeft wel de plicht in de status te vermelden dat informed consent is verkregen.


Informatie over de procedure en kans op complicaties

De meest gebruikte procedure bij een eerstetrimester-abortus in Nederland is een vacuümcurettage. Deze kan plaatsvinden onder lokale of algehele anesthesie of met behulp van intraveneuze pijnstilling of sedatie. Tevens is medicamenteuze abortus in het eerste trimester mogelijk. In het kader van de WGBO dienen deze alternatieven besproken te worden. Bij een tweedetrimester-abortus bepaalt de reden van de zwangerschapsafbreking (sociaal of medisch) en de werkwijze in de (abortus)kliniek vaak de keuze van de methode. Zowel medicamenteuze als instrumentele behandelingen zijn mogelijk.De complicaties hangen samen met de zwangerschapsduur en de gekozen methode. Specifieke informatie volgt in de betreffende paragrafen. Mondeling advies moet worden ondersteund door accurate en begrijpelijke schriftelijke informatie die thuis voorafgaand aan de procedure gelezen kan worden. Patiënten stellen dit op prijs en hun tevredenheid neemt hierdoor toe (bewijskracht niveau C).


Bespreking van de nazorg

De vrouw moet zowel mondelinge als schriftelijke informatie krijgen over wanneer en met wie zij contact moet opnemen in het geval van complicaties.


Abortus op sociale indicatie

Het bespreken van contraceptie is bij een abortus op sociale indicatie een belangrijk onderdeel van de nazorg. De vrouw kan zo al direct tijdens of na de behandeling beginnen met een anticonceptivum zoals een IUD of OAC. Hiermee wordt ook voorkomen dat vrouwen die niet voor nacontrole verschijnen een gesprek over contraceptie missen.Er is geen evidence dat nacontrole voor vrouwen met een APLA op sociale indicatie bijdraagt aan betere verwerking of meer welbevinden. De keuze hiervoor dient bij de vrouw te liggen, met de instructie dat zij welkom is in geval van vragen of zorgen.

Abortus op medische indicatie

Voorafgaand aan de behandeling dienen pathologisch-anatomisch en eventueel genetisch onderzoek van de foetus besproken te worden, zodat de vrouw en haar partner kunnen nadenken over het geven van toestemming hiervoor. Dit geldt ook voor de vraag of zij de foetus willen zien. Bij tweede- en derdetrimester-zwangerschapsafbrekingen wegens erfelijke of congenitale aandoeningen gaven alle ouders in een Nederlands onderzoek aan dat het zien van de foetus hen achteraf een goed gevoel gaf. Ouders stellen het op prijs geholpen en niet gedwongen te worden om de foetus of hun dode kind  te zien, aan te raken en vast te houden. Een niet-gerandomiseerde cohortstudie onder vrouwen met een spontane intra-uteriene vruchtdood vond evenwel geen bevestiging voor de gedachte dat het niet zien of vasthouden van een dode foetus bijdraagt aan een slechtere rouwverwerking. Bij abortus op medische indicatie is het belangrijk in de nazorg aandacht te schenken aan het rouwproces. Voor wensen ten aanzien van begrafenis, crematie, of ‘anonieme vernietiging’ van de foetus: zie NVOG-richtlijn 16: Wet en gedragsregels bij (vroege) perinatale sterfte (bewijskracht niveau C). Ter ondersteuning kan de NVOG-brochure ‘Verlies van een kind tijdens de zwangerschap of rond de bevalling’ meegegeven worden. Voor overige punten van nazorg zie § 2.4.


2.2 Onderzoek voorafgaand aan de abortus provocatus

Algemene anamnese

De algemene anamnese heeft als doel na te gaan of er relevante algemene gezondheidsproblemen zijn dan wel contra-indicaties voor te gebruiken medicamenten of te verrichten procedures.

Echoscopisch onderzoek

Echoscopisch onderzoek heeft als doel een intacte intra-uteriene graviditeit aan te tonen en een verder gevorderde zwangerschap, mola of EUG uit te sluiten. Ook bij een schijnbaar zekere amenorroeduur kan echoscopisch onderzoek zinvol zijn. Er is echter geen RCT over de klinische waarde van het echografisch onderzoek voorafgaand aan de abortus. Het is belangrijk te weten of de vrouw het echobeeld van de zwangerschap wil zien. Bij een ontkennend antwoord moet dit buiten haar gezichtsveld blijven (bewijskracht niveau D). Bij een onzekere amenorroeduur is echoscopisch onderzoek essentieel om de kans op en de ernst van complicaties bij instrumentele abortus te verminderen (bewijskracht niveau C). Bij een zekere amenorroeduur van < 12 weken op basis van een bekende laatste menstruatie werd bij 1,6% van de vrouwen echoscopisch een zwangerschap van meer dan 12 weken vastgesteld. Dit leidde tot een andere methode van zwangerschapsafbreking (bewijskracht niveau C). In een prospectieve observationele studie was bij 38% van de vrouwen die de datum van hun laatste menstruatie zeker wisten, de zwangerschapsduur bij echo-onderzoek meer dan 7 dagen afwijkend. Dit kan gevolgen hebben voor de methode van zwangerschapsafbreking. Daarnaast was er in 7% sprake van een missed abortion (bewijskracht niveau C). Er zijn twee RCT's waarin de bepaling van de duur van de zwangerschap (in het eerste trimester) met echo werd vergeleken met die op basis van klinisch onderzoek. In de eerste RCT onderschatte klinisch onderzoek slechts in 1% de amenorroeduur; in de tweede werd bij klinisch onderzoek bij 8% van de vrouwen een fout van meer dan twee weken gemaakt vergeleken met de echometing. In geen van de onderzoeken werd gekeken naar de eventuele consequenties van deze onnauwkeurigheden (bewijskracht niveau B).

Laboratoriumonderzoek

Bij abortusbehandelingen dient de rhesusfactor bekend te zijn. Bepaling van de rhesusfactor is nodig om rhesus D-negatieve vrouwen anti-D te kunnen geven (bewijskracht niveau C). Bepaling van Hb en ABO-bloedgroep met screening op irregulaire erytrocytenantistoffen is alleen zinvol op indicatie, bijvoorbeeld wanneer de kans op fors bloedverlies groot geacht wordt (bewijskracht niveau D). Het is niet kosteneffectief om routinematig bloed te kruisen voorafgaand aan de ingreep (bewijskracht niveau B).

Onderzoek naar seksueel overdraagbare aandoeningen

Onderzoek naar SOA's is wenselijk bij abortus op sociale indicatie. Screening op Chlamydia trachomatis (CT) wordt ook door de Gezondheidsraad bij abortus op sociale indicatie aanbevolen. Bij een anamnestisch verhoogd risico moet ook onderzoek plaatsvinden naar andere SOA's. Kosteneffectiviteitsanalyse toonde aan dat opportunistische screening op CT bij een prevalentie vanaf 7% voor vrouwen kosteneffectief is (bewijskracht niveau B). Bij patiënten met een abortusverzoek op sociale indicatie in Amsterdam in 1993 was de prevalentie van SOA's hoger dan in de gehele populatie: 11,2% CT en 0,9% gonorroe (bewijskracht niveau C). Screening biedt daarnaast ook de mogelijkheid tot medebehandeling van de partner en het voorkomen van een nieuwe besmetting. Tevens kan counseling plaatsvinden over onderzoek naar andere SOA's en toekomstige preventie (bewijskracht niveau D). Universele antibiotische profylaxe vermindert de kans op een PID bij een instrumentele abortus op sociale indicatie (zie § 2.3) (bewijskracht niveau A1).


2.3 Behandeling

Algemene aspecten

Hoe vroeger in de zwangerschap de abortus wordt uitgevoerd, hoe kleiner de kans op complicaties.

Keuze tussen instrumentele en medicamenteuze methode

Zowel bij een abortus op sociale als een abortus op medische indicatie is het belangrijk rekening te houden met de voorkeur van de vrouw voor medicamenteuze dan wel instrumentele abortus. Zo kan de behoefte om afscheid van de foetus te nemen resulteren in een sterke voorkeur voor medicamenteuze abortus. Bij abortus op sociale indicatie spelen argumenten een rol als ‘meer natuurlijk' of ‘mogelijk in eigen omgeving' (medicamenteuze abortus) tegenover ‘er zo snel mogelijk vanaf willen zijn'  (instrumentele abortus). Vrouwen hechten veel waarde aan de mogelijkheid zelf een methode te kiezen, zo bleek na twee jaar follow-up van een partieel gerandomiseerd onderzoek met (op sociale indicatie) zowel mogelijkheid tot medicamenteuze als instrumentele abortus (bewijskracht niveau B).

Amenorroeduur van minder dan 7 weken

Zowel medicamenteuze als instrumentele behandelingen kunnen toegepast worden. Ten aanzien van het aantal doorgaande zwangerschappen lijkt bij een amenorroeduur van minder dan 7 weken medicamenteuze abortus effectiever dan instrumentele abortus. Gerandomiseerd vergelijkend onderzoek ontbreekt. Bij de keuze voor een instrumentele abortus is extra alertheid noodzakelijk om een doorgaande zwangerschap uit te sluiten (bewijskracht niveau C).

Amenorroeduur van 7 tot 15 weken

Bij een abortus tussen 7 en 15 weken zijn zowel medicamenteuze als instrumentele behandelingen effectief. De Cochrane-review ‘Medical versus surgical methods for first trimester abortion'  vond vijf trials waarbij een vacuümcurettage werd vergeleken met vier verschillende methoden voor medicamenteuze abortus. Geconcludeerd werd dat er onvoldoende bewijs is voor een voorkeur voor medicamenteuze dan wel instrumentele abortus met betrekking tot neveneffecten en mate van acceptatie. Slechts één onderzoek vergeleek vacuümcurettage met mifepriston gevolgd door een prostaglandine. Het bloedverlies was niet heviger (RR 1,9, 95%-CI 0,1-3,8) bij de medicamenteuze abortus, maar duurde wel langer (RR 2,9, 95%-CI 1,9-4,0). Overigens was de studie slechts partieel gerandomiseerd (bewijskracht niveau A1). Bij een amenorroeduur van 10 tot 13 weken vond een prospectieve gedeeltelijk gerandomiseerde trial geen verschil in het percentage vrouwen dat een tweede procedure nodig had na chirurgische of medicamenteuze abortus (resp. 2,1% en 5,4%). Het totaal aantal geďncludeerde vrouwen (368) was te klein om een verschil in effectiviteit van 2-3% aan te tonen. 70% van de vrouwen die een medicamenteuze abortus ondergingen en 80% van de vrouwen die een instrumentele ingreep ondergingen, zou een volgende keer voor dezelfde methode kiezen (bewijskracht niveau B).

Amenorroeduur vanaf 15 weken

Gerandomiseerd onderzoek tussen de instrumentele en medicamenteuze methode ontbreekt; beide methoden kunnen worden gebruikt. Grimes startte in de VS een gerandomiseerd onderzoek bij een amenorroeduur van 14-19 weken om medicamenteuze abortus met mifepriston en misoprostol te vergelijken met instrumentele abortus na voorbereiding met laminariastiften. Na een jaar werd de trial echter afgebroken vanwege onvoldoende participatiebereidheid van patiënten. De meerderheid koos voor instrumentele abortus.   

Toediening van anti-D

De IGZ-richtlijn en NVOG-richtlijn 50, ‘Erytrocytenimmunisatie en zwangerschap', adviseren toediening van 375 IE anti-D aan rhesus-negatieve vrouwen bij elke zwangerschapsafbreking < 20 weken, ongeacht amenorroeduur of methode. De bewijsvoering hiervoor is beperkt. Bij een spontane abortus wordt door IGZ/NVOG bij een amenorroeduur van minder dan 10 weken geen anti-D geadviseerd. Analoog hieraan kan men ook bij de medicamenteuze abortus vóór een amenorroeduur van 10 weken besluiten geen anti-D te geven. Indien bij medicamenteuze abortus na 10 weken anti-D wordt gegeven, is toediening direct na inname van mifepriston wenselijk; sommige vrouwen aborteren reeds vóór inname van misoprostol.

 
Complicaties en langetermijngevolgen

De kans op complicaties neemt zowel bij instrumentele als bij medicamenteuze abortus toe met de zwangerschapsduur, maar is gering bij lege artis uitgevoerde behandelingen. Bij legale abortus is de kans op mortaliteit < 1:100.000 (bewijskracht niveau C). Voor complicaties van de verschillende methoden zie de paragraaf ‘Complicaties van instrumentele abortus'.

Vruchtbaarheid en obstetrische uitkomsten

Er is geen bewezen relatie tussen abortus en een EUG of placenta praevia in een volgende zwangerschap, noch tussen een abortus en infertiliteit. Wel kan een PID na een abortus leiden tot een toekomstige tuba-gerelateerde fertiliteitsstoornis of EUG. Een uterusperforatie en/of abdominale chirurgie ter reparatie verhogen deze kans eveneens (bewijskracht niveau C). Abortus door middel van een vacuümcurettage is mogelijk gerelateerd aan een licht verhoogde kans op een spontane abortus in het eerste trimester van een volgende zwangerschap (RR 1,72, 95%-CI 1,09-2,72). Er bestaat veel onduidelijkheid of het risico op een preterme partus verhoogd is. Een placenta praevia komt mogelijk vaker voor na een abortus met een scherpe curette, maar niet na een vacuümcurettage (bewijskracht niveau C).

Borstkanker

De Early Reproductive Events and Breast Cancer Workshop van het National Cancer Institute en een recente meta-analyse vonden geen verhoogd risico op borstkanker na een abortus provocatus (bewijskracht niveau A1).

Welbevinden

Een abortus, mits zorgvuldig begeleid, is geen risico voor verminderd welbevinden op lange termijn. Een psychiatrische ziekte lijkt vaker voor te komen bij vrouwen die een abortus provocatus ondergaan dan bij vrouwen van dezelfde leeftijd die een kind kregen of niet zwanger waren. Dat betekent niet dat er een causale relatie is. Vermoedelijk geeft het slechts een al bestaande conditie weer (bewijskracht niveau C). Nadelige psychologische effecten op lange termijn komen slechts zelden voor en lijken dan meestal al vóór de abortus aanwezig. Wanneer een abortusverzoek niet gehonoreerd wordt hebben veel vrouwen jarenlang bittere gevoelens. Vrouwen die in Nederland een APLA op medische indicatie doormaken, ondergaan een rouwproces dat, mits de ingreep goed wordt overwogen en begeleid, uiteindelijk op lange termijn geen negatieve gevolgen heeft (bewijskracht niveau C).

Anticonceptie

Voor algemene aspecten van anticonceptie verwijzen wij naar betreffende NVOG-richtlijnen. Van belang is dat 90% van de vrouwen binnen een maand na de abortus al ovuleert. Wanneer contraceptie gewenst is, wordt hiermee bij voorkeur direct na de abortus begonnen. Een IUD kan worden ingebracht in aansluiting op een instrumentele abortus of binnen 48 uur na een medicamenteuze abortus. Na een tweedetrimester-abortus moet rekening gehouden worden met een grotere kans op expulsie en perforatie (bewijskracht niveau C).

 

Instrumentele abortus

Antibiotische profylaxe

Bij iedere instrumentele abortus is antibiotische profylaxe noodzakelijk. Dit vermindert de kans op een postoperatieve ontsteking met ongeveer 50% (bewijskracht niveau A1). Een behandelingsmogelijkheid is 200 mg doxycycline ongeveer 1 uur voorafgaand aan of tijdens de ingreep, eventueel gevolgd door 2 keer daags 100 mg doxycycline gedurende 2 dagen. Een alternatief is ofloxacine 2 keer 400 mg 1 uur voor de ingreep en 12 uur later nogmaals, eventueel twee dagen voort te zetten. Doxycyclineprofylaxe gedurende 3 dagen bleek even effectief als gedurende 7 dagen, hoewel de power en follow-up van de betreffende studie onvoldoende waren (bewijskracht niveau B). Toevoeging van metronidazol aan de antibiotische profylaxe met doxycycline bij vrouwen met een aangetoonde Bacteroides vaginalis bij eerste- of tweedetrimester-APLA gaf geen verdere verlaging van symptomen passend bij infectieuze complicaties (bewijskracht niveau A2). De meta-analyse van Sawaya toonde een 50% reductie van de kans op postoperatieve ontsteking bij profylactisch gebruik van antibiotica bij een instrumentele abortus. Het RR op een PID in vergelijking met placebo was 0,58 (95%-CI 0,47-0,71). Bij vrouwen zonder een anamnestische PID en zonder een CT-cervicitis was dit RR 0,64 (95%-CI 0,49-0,85). In de geďncludeerde onderzoeken werden uiteenlopende antibioticaprotocollen gehanteerd; de grootste onderzoeken gebruikten kortdurend (1 of 2 giften) doxycycline of ofloxacine, meestal enkele uren voor en soms ook na de ingreep. Het absolute risico op een infectie na de abortus bij placebogebruik varieerde van 6-15% in de studies waaraan meer dan 200 vrouwen deelnamen (bewijskracht niveau A1). Na medicamenteuze abortus varieerde in observationele studies de kans op een infectie van ver onder 1% tot enkele procenten. Het gaat veelal om kleine studies waarin meestal de diagnose ‘infectie' op klinische gronden werd gesteld zonder verdere bevestiging. Er zijn geen trials met antibiotische profylaxe of screening (bewijskracht niveau C).
 

Instrumentele abortus tot een amenorroeduur van 15 weken

Tot een amenorroeduur van 15 weken vindt de ingreep bij voorkeur plaats door middel van een vacuümcurettage. Deze duurt korter dan dilatatie en gewone curettage. Het routinematig geven van uterotonica is niet kosteneffectief. In aansluiting op de vacuümcurettage kan een stompe curette gebruikt worden. Een scherpe curette wordt afgeraden. De Cochrane-review ‘Surgical methods for first trimester termination of pregnancy' vond geen significant verschil in het eerste trimester tussen de vacuümaspiratie versus de dilatatie met curettage met betrekking tot excessief bloedverlies, bloedtransfusie, koorts, incomplete of herhaalde evacuatie, heropname, postoperatieve pijn of therapeutisch antibioticagebruik. De duur van de ingreep was korter bij de zuigcurettage: - 1.84 minuten (95%-CI - 2,542 tot - 1,138 ) bij amenorroeduur tot 9 weken en - 0,600 minuten (95%-CI -1,166 tot - 0,034) bij amenorroeduur van meer dan 9 weken. De flexibele en de rigide canule toonden geen significante verschillen. De geďncludeerde trials waren te klein om weinig frequente complicaties te vergelijken (bewijskracht niveau A1). Uit cohortonderzoek in Oxford blijkt dat de morbiditeit van een instrumentele abortus in het eerste trimester groter is bij vorderen van de amenorroeduur en bij meer onervaren operateurs (bewijskracht niveau B).

Instrumentele abortus bij een amenorroeduur van minder dan 7 weken

Bij vacuümcurettage vóór een amenorroeduur van 7 weken is het nodig extra te controleren op een persisterende zwangerschap. Dit kan gebeuren door middel van macroscopische of microscopische inspectie van het curettement en eventueel vervolgen van HCG-spiegels na de procedure. Ook echoscopische controle in aansluiting op de procedure kan overwogen worden. Zie verder bij ‘Complicaties van instrumentele abortus' (doorgaande zwangerschap) (bewijskracht niveau C). Instrumentele abortus bij een amenorroeduur van meer dan 12 weken. Bij ontbreken van voldoende vaardigheden en ervaring kan bij een amenorroeduur boven 12 weken gekozen worden voor een medicamenteuze abortus of voor verwijzing naar een (abortus)kliniek met meer ervaring in de instrumentele abortus boven deze amenorroeduur (bewijskracht niveau D).

Instrumentele abortus vanaf een amenorroeduur van 15 weken

Instrumentele abortus is veilig in het tweede trimester, mits verricht na voorbehandeling van de cervix en uitgevoerd door artsen met voldoende ervaring en het juiste instrumentarium (bewijskracht niveau B). In de Nederlandse situatie valt derhalve verwijzing naar een (abortus)kliniek met ervaring in deze te overwegen. Het gebruik van echoscopie tijdens de procedure vermindert in een retrospectieve studie de kans op perforatie van de uterus van 1,4% naar 0,2% bij een amenorroeduur van 16-24 weken (bewijskracht niveau C). Een kleine RCT en een grote observationele studie laten zien dat een instrumentele abortus veiliger is dan oudere instillatiemethoden. Het gebruik van hypertoon zout wordt niet meer aanbevolen. Voor verdere toelichting verwijzen we naar de RCOG-richtlijn en de toekomstige richtlijn van het Nederlands Genootschap van Abortusartsen (bewijskracht niveau B/C).

 
Anesthesie

Lokaal versus algemeen

Hoewel lokale anesthesie mogelijk minder kans op complicaties geeft dan narcose, is de kans op complicaties zo gering dat de voorkeur van de vrouw een belangrijke rol mag spelen. De kans op ernstige complicaties is vermoedelijk kleiner bij een curettage onder lokale anesthesie dan bij een curettage onder algehele anesthesie. In een partieel gerandomiseerd onderzoek bij ruim 9000 vrouwen die tussen 13 en 24 weken in 13 verschillende ziekenhuizen in de VS een ‘dilatation and evacuation' ondergingen, kwamen ernstige complicaties (hevige bloeding met bloedtransfusie, laparotomie of koorts) vaker voor bij narcose dan bij lokale anesthesie (RR 2,6; 95%-CI 1,4-4,9) (bewijskracht niveau C). Bij een retrospectieve analyse van 36.430 vrouwen die een abortus hadden ondergaan onder lokale dan wel algehele anesthesie was het totale aantal ernstige complicaties gelijk; bij lokale anesthesie werden vaker koorts en convulsies gezien, na narcose vaker hevig bloedverlies, cervixtrauma en perforatie (bewijskracht niveau C). De invulling van de vorm van narcose of sedatie valt buiten het bestek van deze richtlijn.

Pijnbestrijding

De behoefte aan pijnbestrijding na de instrumentele abortus loopt uiteen. Het is niet zinvol alle vrouwen routinematig profylactisch een analgeticum voor te schrijven (bewijskracht niveau B). Gebruik van NSAID's in een dubbelblind gerandomiseerde trial met misoprostol ter voorbereiding van de cervix verminderde niet de mate van spontane dilatatie, maar evenmin droegen NSAID's bij aan een significante pijnreductie bij eerstetrimester-abortus zonder lokale anesthesie (bewijskracht niveau A2). 

Medicamenteuze cervixdilatatie voorafgaand aan de instrumentele abortus

Medicamenteuze cervixvoorbereiding bij risicogroepen draagt bij aan vermindering van de kans op complicaties (bewijskracht niveau C). Gelijktijdig gebruik van NSAID's vermindert de werking van misoprostol op de cervix niet (bewijskracht A2). Het advies is 400 µg misoprostol voor de ingreep vaginaal in te brengen door de vrouw zelf, of, indien dat op bezwaren stuit, sublinguaal 400 µg. Het optimale tijdstip voor vaginale en sublinguale toediening ligt rond drie uur voorafgaand aan de ingreep. Misoprostol geeft verweking en dilatatie van de cervix (bewijskracht niveau A1). Medicamenteuze cervixvoorbehandeling is zinvol bij vrouwen uit risicogroepen: jonge vrouwen (bijvoorbeeld < 18 jaar) en vrouwen met een amenorroeduur van meer dan 10 weken, om de kans op cervixbeschadigingen en uterusperforatie te verkleinen (bewijskracht niveau C). Orale en vaginale voorbereiding met 400 µg gaven een zelfde mate van dilatatie, met meer klachten van misselijkheid bij oraal gebruik en van moeheid bij vaginaal gebruik (bewijskracht niveau A2). Sublinguale toediening van 400 µg leidde tot een zelfde mate van spontane dilatatie, met meer klachten van misselijkheid, braken, onprettige smaak en diarree dan een zelfde dosering vaginaal (bewijskracht niveau A2).


Complicaties van instrumentele abortus

De kans op complicaties bij instrumentele abortus is gering en neemt toe met de amenorroeduur. In een retrospectieve cohortstudie van 83.469 vrouwen die een instrumentele abortus ondergingen werden 571 directe complicaties gevonden: 0,7%. Het betrof bloedverlies van meer dan 500 ml, laceratie van de cervix, uterusperforatie, incomplete abortus, infecties en sterfte. Bij toename van de zwangerschapsduur nam ook de kans op complicaties toe. Vergeleken met een ingreep bij een amenorroeduur tot 9 weken was de odds ratio voor directe complicaties bij een amenorroeduur van 9 tot 12 weken 1,3 (95%-CI 1,02-1,63) en bij een amenorroeduur van 17 tot 20 weken 3,3 (95%-CI 2,23-5,00) (bewijskracht niveau C). In de Deense abortusregistratie- en complicatie-database werd over een 15-jaars periode onder ruim 56.000 vrouwen met eerste- en tweedetrimester-abortus een complicatiekans binnen de eerste twee weken na de ingreep van 5% geregistreerd. Het betrof hier bloedingen, infectie of hercurettage (bewijskracht niveau C). Het verdient overweging tijdens de instrumentele abortus echografie te gebruiken om de procedure te begeleiden. Naast afname van de kans op complicaties wordt ook een betere indruk van de compleetheid van de curettage verkregen. Dit geldt voor een amenorroeduur vanaf 16 weken, maar ook in het eerste trimester (bewijskracht niveau C).

Bloeding

Excessief bloedverlies als gevolg van een abortus komt voor bij 0,88 per 1000 ingrepen van minder dan 13 weken en bij 4 per 1000 boven 20 weken. Bloedverlies van meer dan 0,5 liter treedt in ongeveer 0,15% van de procedures op en bij een amenorroeduur van < 13 weken bij 0,12% (gegevens uit de abortusstatistiek van Office for National Statistics Legal Abortion in England and Wales 1998). Bloedverlies van meer dan 500 ml werd in Nederland door de IGZ bij 86 van de 33.000 abortussen (0,26%) gerapporteerd, niet uitgesplitst naar eerste of tweede trimester (bewijskracht niveau C). Over de kans op een bloedtransfusie zijn noch Nederlandse, noch Britse gegevens beschikbaar. De RCOG schat deze kans 0,05% (bewijskracht niveau D). Bij een bloeding tijdens instrumentele abortus zijn uterotonica zinvol. Oxytocine is effectiever dan ergometrine of placebo (bewijskracht niveau A2). Tamponnering d.m.v. een Foley-katheter of anderszins valt te overwegen bij onvoldoende resultaat, mits een incomplete abortus is uitgesloten (bewijskracht niveau D).

Perforatie

Een eenduidige richtlijn over beleid na een perforatie valt niet te geven. Het is belangrijk om bij verdenking op een intra-abdominale laesie van bijvoorbeeld een bloedvat of darm tijdig de diagnose te bevestigen en zo nodig in te grijpen. Perforatie van de uterus bij een chirurgische abortus treedt op bij 1-4/1000 procedures. De kans is gerelateerd aan de (on)ervarenheid van de operateur en neemt toe met het vorderen van de zwangerschapsduur (bewijskracht niveau C).

Doorgaande zwangerschap

De kans op een doorgaande zwangerschap is gering, afhankelijk van de gevolgde procedures, en bij een zeer jonge zwangerschap, < 7 weken amenorroe, iets hoger dan na deze termijn. Doorgaande zwangerschap werd bij 0,23% van de vacuümcurettages < 12 weken gevonden. Bij een amenorroeduur van minder dan 7 weken was het RR 2,9 (95%-CI 1,7 tot 4,9) vergeleken met een amenorroeduur van 7 tot 12 weken (bewijskracht niveau B). Een strikt protocol met HCG-bepaling en echo vooraf, nauwkeurige inspectie van het curettement, en bij twijfel postoperatieve HCG-bepaling gaf een succespercentage van 99% bij vacuümcurettage vóór een amenorroeduur van 6 weken (bewijskracht niveau C). In één onderzoek was bij instrumentele abortus, zonder extra maatregelen ter controle van compleetheid, de kans op een doorgaande zwangerschap bij een amenorroeduur van minder dan 6 weken 2,3% (bewijskracht niveau C).

Incomplete abortus

Achtergebleven zwangerschapsresten kunnen aanhoudend bloedverlies, koorts en pijn veroorzaken. Bij een hercurettage dient antibiotische profylaxe gegeven te worden. Er is geen evidence over een medicamenteuze behandeling met misoprostol na een mislukte medicamenteuze abortus. Medicamenteuze behandeling met (herhaald) misoprostol bij een incomplete spontane abortus leidt bij tweederde van de vrouwen tot een complete abortus. Gegevens over de kans op een incomplete curettage zijn schaars. In een onderzoek met follow-up van 80% van de patiënten werd bij 4 van de 858 een incomplete abortus geconstateerd (< 1%) (bewijskracht niveau C).
 

Medicamenteuze abortus

Algemeen

Medicamenten

Mifepriston en misoprostol zijn effectief bij medicamenteuze abortus (bewijskracht niveau A1). Misoprostol als monotherapie geeft een minder goed resultaat, zeker bij jonge zwangerschappen.

Mifepriston

Mifepriston is een steroďd met antiprogestagene werking. Het bindt zich zowel aan de progesteron- als aan de glucorticoďdreceptor. Mifepriston is geregistreerd voor:

Misoprostol

Misoprostol is een synthetisch analogon van prostaglandine E2. Misoprostol is geregistreerd voor preventie van door NSAID's veroorzaakte maag- en darmulcera bij een hoog risico van dergelijke ulceraties of complicaties ervan tijdens gebruik van NSAID's bij reumatische aandoeningen, maar niet voor zwangerschapsafbreking. Informatieverstrekking aan patiënte hierover kan wenselijk zijn bij poliklinische behandelingen. Een toelichting op de bijsluitertekst kan voorkomen dat een vrouw in verwarring raakt wanneer zij deze tekst leest. Daarbij kan informatie gegeven worden over het feit dat de gebruikelijke contra-indicatie tijdens de zwangerschap, namelijk de kans dat uteruscontracties opgewekt worden, nu juist een gewenst effect is. In de regel blijven restanten van de tabletten enkele dagen in de schede achter; het is goed ook daarover de vrouw in te lichten.

Sulproston

Sulproston is een derivaat van prostaglandine E2 en wordt intraveneus gebruikt voor tweedetrimester-afbrekingen, soms in combinatie met cervicale voorbereiding door middel van dinoproston, een prostaglandine E2, of mechanische voorbereiding van de cervix, bijvoorbeeld met Dilapan-staafjes. In een retrospectief Nederlands onderzoek bij 134 vrouwen was een manuele placentaverwijdering bij 38% van de zwangerschapsafbrekingen met sulproston noodzakelijk (bewijskracht niveau C). Dit percentage is in overeenstemming met buitenlandse gegevens en hoger dan de 10-20% die in onderzoeken met mifepriston en misoprostol wordt gevonden. Ook bleek bij gebruik van mifepriston en misoprostol 90-100% van de uitdrijvingen plaats te vinden binnen 24 uur, terwijl dit bij sulproston in het genoemde onderzoek slechts 68% was. Er is een retrospectieve casecontrol-studie tussen sulproston en mifepriston/misoprostol voor afbreking van een zwangerschap met een levende foetus. De tijd tot abortus was korter in de mifepriston/misoprostolgroep. Daarnaast was hierin het relatieve risico voor vaginaal bloedverlies van meer dan 1 liter 0,40 (95%-CI 0,13-1,2).  
 

Bijwerkingen en contra-indicaties

Hoewel een klein percentage vrouwen gastero-intestinale klachten ervaart na gebruik van mifepriston, treden de meeste bijwerkingen op na misoprostolgebruik. De toedieningswijze van misoprostol bepaalt de ernst van de klachten, die overigens deels ook door de zwangerschap zelf veroorzaakt kunnen worden. Over het algemeen geeft vaginaal gebruik minder klachten dan oraal gebruik. De meest voorkomende zijn, met beschreven range van voorkomen: misselijkheid (20-65%), braken (10-44%), diarree (3-29%), rillingen of koorts (7-44%), hoofdpijn (27-32%) en duizeligheid (12-38%). Veelal zijn de bijwerkingen van korte duur en is geen behandeling noodzakelijk. Wel moet aan vrouwen verteld worden dat bloedverlies, pijn en kans op een incomplete abortus toenemen met de zwangerschapsduur. Contra-indicaties voor mifepriston zijn chronische bijnierinsufficiëntie, bekende allergie, ernstige niet-behandelde of onbehandelbare astma, erfelijke porfyrie. Wegens onvoldoende ervaring is voorzichtigheid geboden bij het voorschrijven van mifepriston bij nier- en leverinsufficiëntie en ondervoeding. Deze voorzichtigheid geldt ook bij vrouwen ouder dan 35 jaar en bij gebruik van 10 of meer sigaretten per dag, vanwege het theoretische risico op ernstige cardiovasculaire problemen (Farmacotherapeutisch Kompas). Deze zijn overigens (in het eerste trimester) nooit beschreven. Een contra-indicatie voor misoprostol is  overgevoeligheid voor prostaglandines. Ernstige leverfunctiestoornissen zijn een relatieve contra-indicatie en vergen een aanpassing van de dosering. Een aantal condities, zoals ernstige anemie, een grote uterus myomatosus, epilepsie of andere ernstige ziekten, alsmede een amenorroeduur van meer dan 9 weken kunnen beschouwd worden als een contra-indicatie tegen medicamenteuze eerstetrimester-abortus in de thuis-setting; in deze situaties is een klinische setting wenselijk. Dit geldt ook voor vrouwen die instructies niet goed begrijpen of vervoersproblemen naar het ziekenhuis hebben.

 
Medicamenteuze abortus na eerdere sectio

In onderzoeken naar medicamenteuze abortus in het eerste trimester wordt een sectiolitteken niet als exclusiecriterium gemeld. In het tweede trimester zijn er slechts enkele case-reports over een uterusruptuur, de vroegste bij 18 weken. Te overwegen valt een instrumentele abortus als alternatief te bespreken. Er is geen evidence of een lagere dosering misoprostol minder kans op een uterusruptuur geeft. In een onderzoek bij 35 vrouwen met een sectiolitteken en een amenorroeduur van < 49 dagen werd geen uterusruptuur gerapporteerd (bewijskracht niveau C). Een uterusruptuur kan bij een tweede trimester medicamenteuze abortus voorkomen. Het risico is laag: veel minder dan 1 per 1000. Een sectio in de anamnese gaf in een review uit 1996 een RR van 20,8 (95%-CI 14,1-104,00) voor een uterusruptuur in het tweede trimester. Bij 31 vrouwen met een sectio in de anamnese die een medicamenteuze tweedetrimester-abortus ondergingen met behulp van misoprostol (200 µg elke 2 uur) werd in 2003 geen uterusruptuur waargenomen (bewijskracht niveau C). Ook in een recente retrospectieve studie bij 108 vrouwen met een eerdere sectio die een medicamenteuze abortus ondergingen (bij een amenorroeduur van 17-24 weken) werd geen uterusruptuur gevonden. De vrouwen kregen 400 µg misoprostol per os en vaginaal; daarna elke 6 uur 400 µg misoprostol vaginaal met een maximum van vijf doses.

 
Teratogeniteit

Bij persisteren van de zwangerschap na een medicamenteuze abortus met mifepriston en misoprostol bestaat een geringe kans op teratogene afwijkingen. Deze zijn aan misoprostol toe te schrijven; van Mifegyne zijn geen teratogene effecten bekend. De vrouw moet hierover geďnformeerd worden en de bereidheid tot het ondergaan van een instrumentele abortus in deze situatie moet vooraf besproken zijn. Vasoconstrictie en ischemie ten gevolge van contracties zijn mogelijk een oorzaak van de congenitale afwijkingen. Voor het Möbius-syndroom (congenitale facialisparese, al dan niet gecombineerd met afwijkingen aan de extremiteiten) wordt een RR van 29,7% gevonden (95%-CI 11,6-76,0) bij misoprostolexpositie (bewijskracht niveau B). Omdat misoprostol alleen op grote schaal als monotherapie wordt gebruikt in landen waar abortus illegaal is, zoals Brazilië, ontbreken gegevens van prospectief onderzoek. In een grote Zuid-Amerikaanse database van 4500 kinderen met congenitale afwijkingen werd niet vaker misoprostolexpositie gevonden dan bij kinderen zonder deze afwijkingen (bewijskracht niveau B).

 
Medicamenteuze abortus tot 13 weken amenorroeduur

Een dosering van 200 mg mifepriston volstaat. De begindosering misoprostol is 800 µg. Vaginale toediening van misoprostol is effectiever en geeft minder bijwerkingen dan orale toediening. Sublinguale en buccale toediening is slechts in enkele kleine trials geëvalueerd. Tot 9 weken is start van misoprostol  8 uur na mifepriston even effectief als start na 1-3 dagen. Van 9-13 weken wordt geadviseerd misoprostol 24-48 uur na de mifepriston toe te dienen.

Dosering mifepriston

Hoewel de bijsluiter 600 mg mifepriston adviseert, volstaat 200 mg zowel in het eerste als tweede trimester (bewijskracht niveau A1). De Cochrane-review ‘Medical methods for first trimester termination of pregnancy' toonde in een meta-analyse van vier trials een zelfde effectiviteit van 200 mg als van 600 mg (RR 1,07, 95%-CI 0,87-1,32) (bewijskracht niveau A1). Ook in het tweede trimester heeft 200 mg dezelfde effectiviteit als 600 mg mifepriston (bewijskracht niveau A2). Een verdere verlaging van de mifepriston tot 50 mg leidde minder vaak tot een complete abortus: RR 1,6 (95%-CI 1,1-2,3) (bewijskracht niveau A2). Een kleine RCT onder 80 vrouwen minder dan 7 weken zwanger toonde een effectiviteit van 100% bij 100 mg mifepriston in combinatie met 800 µg misoprostol vaginaal (bewijskracht niveau A2).

Dosering, tijdstip, en wijze van toediening van misoprostol

Vaginaal toegediend misoprostol blijkt in een Cochrane-review effectiever dan oraal gebruik (bewijskracht niveau A1). Een meta-analyse waarin opgenomen 54 onderzoeken over medicamenteuze abortus met verschillende doseringen, middelen en toedieningswegen, gaf bij een amenorroe van minder dan 7 weken de volgende resultaten: complete abortus 94-96%, incomplete abortus 2-4% en doorgaande zwangerschap 1-3% (bewijskracht niveau A1). Een andere meta-analyse (3 trials) binnen de hierboven genoemde review toonde vaker complete abortus bij vaginale dan bij orale toediening (RR 2,75, 95%-CI 1,39-5,46) (bewijskracht niveau A1). Bij een amenorroeduur van minder dan 9 weken was vaginale toediening van misoprostol 6-8 uur na de mifepriston even effectief als toediening na 24 uur, terwijl er minder bijwerkingen optraden (bewijskracht niveau A2). Tot 8 weken was het percentage complete abortussen na 24, 48 en 72 uur bij vaginale toediening van 800 µg misoprostol respectievelijk 98% (95%-CI 97-99%), 96% (95%-CI 97-99%), en 96% (95%-CI 95-97%) (bewijskracht niveau A2). Bij orale toediening gaf misoprostol 6-8 uur na mifepriston een veel lager percentage complete abortus: 50% (95%-CI 35%-65%) dan toediening na 48 uur: 91% (95%-CI 82%-99%) (bewijskracht niveau A2). In een analyse van 2000 vrouwen die 200 mg mifepriston en 800 µg misoprostol vaginaal gebruikten bij een amenorroeduur van minder dan 9 weken  was er sprake van 97,5% complete abortus. Curettage was vaker (3,3%) nodig boven de 7 weken dan daarvoor (1,5%) (bewijskracht niveau C).

Herhaling misoprostol

Naarmate de zwangerschap is gevorderd, is het vaker nodig misoprostoltoediening te herhalen. Afhankelijk van het bloedverlies kan dit vaginaal of oraal plaatsvinden. Een tweede dosis van 400 µg misoprostol wordt geadviseerd vanaf 7 weken, als er 4 uur na de eerste dosis nog geen abortus heeft plaatsgevonden. Tussen de 9 en 13 weken kan vier ŕ vijf maal aanvullend 400 µg misoprostol per os of vaginaal worden gegeven met intervallen van 3 uur zolang abortus niet heeft plaatsgevonden. Een RCT onder ruim 2000 vrouwen in 11 landen onderzocht na oraal en vaginaal toegediende misoprostol het effect van aanvullende orale behandeling gedurende 7 dagen (2× daags 400 µg). In overeenstemming met andere onderzoeken gaf vaginale toediening vaker een complete abortus dan orale toediening. Bij een amenorroeduur van 8-9 weken halveerde bij aanvullende orale behandeling het percentage niet-complete abortus van 7,8 tot 3,5% (bewijskracht niveau A2). Bij zwangerschapsafbrekingen tot 9 weken verminderde de kans op een doorgaande zwangerschap bij tweemaal toedienen van misoprostol (RR 5,88, 95%-CI 1,30-26,59), hoewel de kans op een curettage hetzelfde bleef (RR 1,16, 95%-CI 0,77-1,75) (bewijskracht niveau C). Bij 10-13 weken amenorroe werd bij herhaalde vaginale misoprostoltoediening (400 µg elke drie uur) een succespercentage van 95-97% beschreven (bewijskracht niveau C). Na een amenorroeduur van 9 weken neemt ook bij herhaalde misoprostoltoediening de kans op curettage toe. Bij 94,8% complete abortussen tussen 9 en 13 weken was curettage nodig bij respectievelijk 0,9%, 5,3% en 6,2% van de vrouwen, die 9-10 weken, 10-11 weken of 11-12 weken zwanger waren. Redenen waren doorgaande zwangerschap (1,7%), missed abortion (0,6%), incomplete abortus (2,7%), en hevig bloedverlies (0,2%). Gemiddeld werd 2,3× misoprostol toegediend bij vrouwen die compleet aborteerden (bewijskracht niveau C).


Medicamenteuze abortus na 13 weken amenorroeduur

Ook na 13 weken volstaat 200 mg mifepriston. De begindosis misoprostol is eveneens 800 µg vaginaal, waarbij de RCOG adviseert dit 36-48 uur na de mifepriston te starten, zo nodig gevolgd door maximaal 4 ´ 400 µg misoprostol elke 3 uur per os. Er zijn geen studies gepubliceerd die verschillende doses misoprostol in combinatie met mifepriston na 13 weken vergelijken of herhaaldoses vaginaal met die per os. In een onderzoek bij 224 vrouwen tussen 12 en 20 weken waarbij monotherapie met misoprostol vaginaal werd vergeleken met misoprostol sublinguaal, werd maximaal vijfmaal 400 µg toegediend. Wanneer dit niet leidde tot een abortus werd hetzelfde regime 24 uur na de start van de eerste dosis misoprostol herhaald. Na 48 uur was in de sublinguale groep 91% (95%-CI 84-95%) en in de vaginale groep 95% (95%-CI 89-98%) al dan niet compleet geaborteerd. Na 24 uur was dit significant vaker het geval in de vaginale groep: 86% tegenover 72% in de sublinguale groep. Dit verschil werd met name veroorzaakt door nullipara (bewijskracht niveau A2). In ongeveer 16% was een chirurgische interventie nodig bij incomplete abortus. 14 vrouwen hadden een doorgaande zwangerschap 72 uur na de eerste misoprostoldosis.

 
Pijn en bloedverlies

Medicamenteuze abortus gaat gepaard met pijn en bloedverlies. Deze nemen toe met de amenorroeduur. Duidelijke informatie hierover is noodzakelijk zodat vrouwen weten wat hen te wachten staat. Support vanuit de omgeving is van belang.

Pijn en pijnbestrijding

Angst, jonge leeftijd en lage pariteit hangen samen met meer kans op ernstige pijn. De pijn neemt toe bij het vorderen van de amenorroeduur. De meeste studies naar medicamenteuze pijnbestrijding bij vroege zwangerschapsafbreking geven nauwelijks betere pijnstilling dan placebo. Conventionele middelen als een warme kruik zijn een mogelijke optie. Bij late medicamenteuze zwangerschapsafbreking kan epidurale anesthesie overwogen worden. Er is geen evidence dat NSAID's de werkzaamheid van misoprostol verminderen. Vergelijking van intraveneus fentanyl, een placebo en geen medicatie gaf slechts een gering verschil in pijn (bewijskracht niveau A2). Een gerandomiseerde studie bij 281 vrouwen liet geen verschil zien in pijnbeleving bij gebruik van een placebo, NSAID of salicylaat (bewijskracht niveau A2). NSAID's, wanneer ingenomen na de misoprostol, verminderen de effectiviteit van misoprostol niet (bewijskracht niveau B). Pijn ontstaat bij een medicamenteuze abortus meestal (maar niet altijd) na toediening van misoprostol. Hoewel meer pijn beschreven wordt na een amenorroeduur van 7 weken, beoordelen de meeste vrouwen in de meeste onderzoeken de pijn als matig of draaglijk (bewijskracht niveau C). Krampen en pijn worden gerapporteerd door respectievelijk 11% en 21% van de vrouwen na het gebruik van mifepriston en voor het gebruik van misoprostol (bewijskracht niveau C).

Bloedverlies

Bloedverlies bij medicamenteuze abortus wordt verschillend gerapporteerd. In drie Franse onderzoeken gemiddeld 9 dagen (spreiding 1-32 dagen), in vijf andere, voornamelijk Amerikaanse onderzoeken, gemiddeld 14-17 dagen (spreiding 1-69 dagen). De hoeveelheid bloedverlies is vaak meer dan de vrouw gewend is van menstruaties, maar leidt zelden tot klinisch relevante veranderingen in het Hb-gehalte. De hoeveelheid bloedverlies neemt toe naarmate de amenorroeduur vordert. In een placebo-gecontroleerde RCT bij een amenorroeduur van minder dan 9 weken gaf een week aanvullende misoprostol (2× daags 400 µg) geen verschil in mediane duur van het bloedverlies (15-16 dagen) in vergelijking met placebo, noch bij de vrouwen die de eerste dosis misoprostol oraal, noch bij vrouwen die de eerste dosis vaginaal gebruikten (bewijskracht niveau A2). In een andere eveneens placebo-gecontroleerde RCT bij een zelfde amenorroeduur was het aantal dagen en de gemeten hoeveelheid bloedverlies hetzelfde bij direct gestarte orale anticonceptie als bij placebo, alhoewel het hemoglobinegehalte op dag 15 bij OAC-gebruik lager was.  Dit laatste wordt aan een door OAC veroorzaakte verandering van plasmavolume toegeschreven (bewijskracht niveau A2). Bij analyse van data uit twee RCT's (amenorroeduur minder dan 7 en 9 weken) onder ruim 4000 vrouwen was bloedverlies in 53% de reden voor curettage. Er was sprake van een bimodale curve: 38% van de vrouwen onderging een curettage in de eerste week, 37% tussen week 3 en 5 (bewijskracht niveau A2).
 

Complicaties: doorgaande zwangerschap en noodzaak tot curettage

Doorgaande zwangerschap

De kans op een doorgaande zwangerschap is gerelateerd aan de wijze en frequentie van innemen van prostaglandine en aan de amenorroeduur; vaginale toediening leidt vaker tot complete abortus. Voor vrouwen kan het moeilijk zijn verlies van een stolsel te onderscheiden van verlies van het zwangerschapsproduct. Zeker bij jonge zwangerschappen bestaat dan het gevaar dat vrouwen ten onrechte denken geaborteerd te zijn. Duidelijke informatie en instructie over dit risico is noodzakelijk, evenals afspraken over hoe een doorgaande zwangerschap uit te sluiten. Echoscopisch onderzoek is hiervoor het meest geëigend. In geval van een doorgaande zwangerschap kan een instrumentele abortus worden gedaan. Er is geen evidence voor de beantwoording van de vraag of een herhaalde toediening van mifepriston en/of misoprostol zinvol is. In de eerder genoemde meta-analyse [74] werd bij verschillende doseringen, middelen en toedieningswegen 1-3% doorgaande zwangerschappen gevonden (bewijskracht niveau A1). Het percentage doorgaande zwangerschappen in het eerste trimester bij de combinatie van 200 mg mifepriston en 800 µg misoprostol vaginaal is ongeveer 1% (bewijskracht niveau A1).

Incomplete abortus

Een echo na afloop van een medicamenteuze abortus geeft frequent een rommelig cavumbeeld, dat ten onrechte verward kan worden met een incomplete abortus. Slechts persisterend hevig bloedverlies is een reden tot curettage. Echografische beoordeling van de endometriumdikte na medicamenteuze abortus biedt geen leidraad voor klinische interventie. Persisterende zwangerschap of dringende klinische symptomen zijn indicaties tot aanvullende behandeling (bewijskracht niveau C). De kans op een curettage wegens incomplete abortus in een onderzoek bij 2000 vrouwen tot negen weken amenorroe was 1,4 % (bewijskracht niveau C).


2.4 Nazorg

Belangrijke onderdelen van de nazorg worden reeds bij de intake besproken: zie § 2.1. Duidelijke instructies en afspraken ten aanzien van tussentijdse evaluatie en nacontrole zijn noodzakelijk om complicaties als incomplete abortus, persisterende zwangerschap, overmatig bloedverlies en PID tijdig te ontdekken en behandelen. De vrouw moet weten met wie zij contact kan opnemen bij problemen.


3. Minimaal vereiste zorg

Respecteer het uitgangspunt dat de vrouw beslist over een zwangerschapsafbreking. Bevorder dat de beslissing zo zorgvuldig mogelijk genomen wordt. Bespreek de alternatieve behandelingsopties, zoals medicamenteus versus instrumenteel. Betrek bij uw behandeling onderstaande kernaanbevelingen. Bied nazorg die aansluit bij de wensen van de vrouw.


4. Kernaanbevelingen


Colofon

© 2005  Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
Deze richtlijn, ontwikkeld door de Commissie Richtlijnen NVOG onder eindverantwoordelijkheid van het Bestuur van de NVOG, is vastgesteld in de 583e ledenvergadering d.d. 20 mei 2005 te Noordwijkerhout. Deze richtlijn is samengesteld door mw. dr. G. Kleiverda en mw. J. Derksen. NVOG-richtlijnen beschrijven een minimum van zorg te verlenen door een gynaecoloog in gemiddelde omstandigheden. Zij hebben een adviserend karakter. Een gynaecoloog kan geargumenteerd afwijken van een richtlijn wanneer concrete omstandigheden dat noodzakelijk maken. Dat kan onder meer het geval zijn wanneer een gynaecoloog tegemoet moet komen aan de objectieve noden en/of subjectieve behoeften van een individuele patiënt. Beleid op instellingsniveau kan er incidenteel toe leiden dat (volledige) lokale toepassing van een richtlijn niet mogelijk is. De geldigheid van een richtlijn eindigt uiterlijk vijf jaar na dagtekening. Dagtekening mei 2005.

NVOG
Postbus 20075
3502 LB Utrecht
www.nvog.nl