Bloedonderzoek tijdens de zwangerschap

Algemeen

U bent in verwachting en hoopt op een gezonde zwangerschap en een gezond kind. Zelf kunt u daaraan bijdragen door in uw leefgewoonten rekening te houden met uw baby. Maar u hebt niet alles in de hand: uw baby kan ziek worden door schadelijke stoffen, bacteriën of virussen die zich in uw bloed bevinden. Daarom wordt er aan het begin van uw zwangerschap een bloedonderzoek uitgevoerd. Als het onderzoek uitwijst dat uw baby kans heeft ziek te worden, is het vaak mogelijk om u te behandelen en zo uw baby te beschermen.

bloedtest.jpg

Tijdens een van uw eerste bezoeken aan de verloskundige, huisarts of gynaecoloog wordt wat bloed afgenomen voor dit bloedonderzoek. Dat gebeurt alleen met uw toestemming. U kunt aangeven dat u onderdelen van het onderzoek achterwege wilt laten. De uitslag van het onderzoek krijgt u tijdens uw volgende consult, tenzij u dit anders heeft afgesproken.

Bij het standaard onderzoek wordt uw bloed onderzocht op:
• bloedgroep
• hemoglobinegehalte
• de rhesus-D-factor
• andere antistoffen
• hepatitis B
• lues (syfilis)
• hiv

Hieronder kunt u lezen wat er precies onderzocht wordt en wat er na het onderzoek gebeurt als blijkt dat uw baby kans heeft om ziek te worden.


Bloedgroep


Het is belangrijk uw bloedgroep te weten voor het geval dat u een bloedtransfusie nodig hebt. De bloedgroep kan A, B, AB of 0 zijn.


Hemoglobinegehalte

Met onderzoek naar het hemoglobinegehalte (Hb) van rode bloedcellen wordt nagegaan of u bloedarmoede hebt. Dit onderzoek kan verschillende keren in de zwangerschap plaatsvinden. Bloedarmoede is meestal goed te behandelen en niet schadelijk voor uw kind.


Rhesus-D-factor


De rhesus-D-factor is een stof die in het bloed aanwezig kan zijn. Als u die stof in uw bloed hebt, bent u rhesus-D-positief. Hebt u die stof niet, dan bent u rhesus-D-negatief. Dat is niets bijzonders. Het is een kwestie van erfelijkheid, net als de kleur van uw ogen en haar. Zestien procent van de Nederlandse zwangeren is rhesus-D-negatief. Een rhesus-D-negatieve zwangere heeft echter wel bijzondere aandacht nodig om complicaties te voorkomen bij een eventueel rhesus-D-positieve baby.

Tijdens de zwangerschap is er namelijk een kleine kans dat er een beetje bloed van de baby in de bloedbaan van de moeder komt. Bij de geboorte is die kans zelfs vrij groot. Komt er nu bloed van een rhesus-D-positieve baby in de bloedbaan van een rhesus-D-negatieve moeder, dan kan de moeder afweerstoffen tegen dat bloed gaan maken. Deze zogeheten antistoffen kunnen via de navelstreng het bloed van de baby bereiken en afbreken, waardoor de baby of een volgende baby bloedarmoede krijgt.

Het is dus belangrijk om uw rhesus-D-factor vast te stellen. Er zijn twee mogelijkheden:
• Als u rhesus-D-positief bent, gebeurt er verder niets.
• Bent u rhesus D-negatief, wordt uw bloed in week 30 nogmaals onderzocht op eventuele rhesus-antistoffen. In een enkel geval zijn er wel antistoffen, er vindt dan nader onderzoek plaats. Als deze niet aanwezig zijn krijgt u vervolgens binnen een week een injectie met antirhesus-D-immunoglobuline. Deze injectie krijgt u alleen als u niet eerder bent bevallen van een levend kind. De injectie zorgt ervoor dat de kans nog kleiner wordt dat u zelf antistoffen gaat vormen die de baby ziek kunnen maken. De baby merkt niets van de injectie en loopt geen enkel risico.

Na de bevalling wordt, als u rhesus-D-negatief bent, ook uw baby gecontroleerd. Hiervoor wordt bloed uit de navelstreng genomen. Als uw kind rhesus-D-positief is, krijgt ú binnen 48 uur (nog) een injectie met antirhesus-D-immunoglobuline toegediend. Daardoor is de kans dat uw lichaam zelf geen antistoffen maakt bijna niet aanwezig; dat is belangrijk voor als u later opnieuw zwanger wordt van een rhesus-D-positief kind. Ook in een aantal bijzondere verloskundige situaties krijgt u (extra) antirhesus-D-immunoglobuline toegediend.


Andere antistoffen

Niet alleen als u rhesus-D-negatief bent bestaat het risico dat uw lichaam andere antistoffen maakt. Het is ook mogelijk dat u andere antistoffen hebt gemaakt bij een eerdere zwangerschap of bij een bloedtransfusie. Deze andere antistoffen kunnen de gezondheid van uw baby schaden: de kans bestaat dat ze via de navelstreng en de placenta het bloed van de baby bereiken en schade veroorzaken. Als deze andere antistoffen in uw bloed zijn gevonden, wordt uw bloed verder onderzocht tot duidelijk is welk type antistoffen dit zijn. Uw verloskundige, huisarts of gynaecoloog zal met u bespreken of het nodig is nog ander onderzoek te laten verrichten of u doorverwijzen.


Hepatitis B

Dit is een ziekte waarbij een infectie van de lever optreedt door het hepatitis B-virus. Tussen de 6 en 26 weken na de besmetting kunnen de eerste ziekteverschijnselen optreden, maar de infectie kan ook geheel onopgemerkt verlopen. Na de infectie blijft een deel van de mensen het hepatitis B-virus bij zich dragen. Deze mensen worden ‘dragers’ genoemd; zij kunnen anderen besmetten. Als u het hepatitis B-virus bij u draagt, ondervindt uw baby hiervan tijdens de zwangerschap geen schade, maar tijdens de geboorte kan de baby alsnog in aanraking komen met het virus en geïnfecteerd worden.

Als u virusdrager bent, krijgt uw baby kort na de geboorte hepatitis B-immunoglobuline. Dit zijn kant-en-klare antistoffen die via een injectie worden toegediend. Daarnaast is het heel belangrijk dat uw kind zelf afweer opbouwt tegen hepatitis B. Daarom krijgt het drie vaccinaties toegediend (op de leeftijd van 2, 4 en 11 maanden). Mogelijk wordt hier nog een vierde vaccinatie aan toegevoegd: binnen 48 uur na de geboorte.

Als u drager bent van het virus, bespreekt uw verloskundige, huisarts of gynaecoloog met u hoe u de kans op besmetting van uw omgeving zo klein mogelijk kunt houden. Ook wordt u doorverwezen naar de GGD (en/of naar uw huisarts).


Lues (syfilis)


Lues is een seksueel overdraagbare aandoening (soa) die iemand ongemerkt kan oplopen. In het begin van de zwangerschap beschermt de moederkoek (placenta) het kind nog tegen de ziekte. Later kan ook het kind geïnfecteerd worden. De ziekte moet daarom zo vroeg mogelijk in de zwangerschap behandeld worden. Als uit het bloedonderzoek blijkt dat u lues hebt, dan wordt u doorverwezen naar een gynaecoloog en krijgt u zo spoedig mogelijk antibiotica (penicilline).


HIV

Hiv is het virus dat de ziekte aids veroorzaakt. U kunt met hiv besmet raken door onveilig te vrijen met iemand die met hiv is besmet, of als besmet bloed rechtstreeks in uw bloedbaan terechtkomt (bijvoorbeeld bij gemeenschappelijk gebruik van naalden bij drugsgebruik). Als u met hiv besmet bent, kan dit virus tijdens de zwangerschap of bevalling via het bloed op uw baby worden overgedragen, of daarna via borstvoeding. Gelukkig kan dit meestal worden voorkomen als u tijdig medicijnen neemt.

Verder kunnen maatregelen als een keizersnede en het niet geven van borstvoeding helpen besmetting van de baby te voorkomen. Daarom is het zinvol om aan het begin van de zwangerschap een hiv-test te doen.

Als de hiv-test positief is, dan bent u drager van het virus. In dat geval wordt u doorverwezen naar een gespecialiseerd hiv-centrum. Als u meer informatie wilt, vraag uw verloskundig hulpverlener dan om de folder Testen op hiv, informatie voor zwangere vrouwen (zie www.soaaids.nl).
 

Hepatitis B, syfilis of hiv, en dan?

Hiervóór hebt u meer kunnen lezen over de mogelijke medische gevolgen van positieve testuitslagen bij hepatitis B, syfilis en hiv, en het belang van tijdig starten met de behandeling om overdracht of ziekte bij de baby te voorkomen. Maar een positieve testuitslag heeft ook niet-medische consequenties. Wanneer u hepatitis B, syfilis of hiv hebt, heeft dat ook gevolgen voor uw sociale leven.

Zo is het van belang te kijken naar het besmettingsgevaar voor uw partner en uw directe of indirecte leefomgeving. De hulpverlener verwijst u naar de GGD of huisarts.

Een positieve testuitslag kan - vooral als het gaat om hiv - ook gevolgen hebben als u verzekeringen of een hypotheek moet afsluiten. Bovendien zijn er gevolgen voor aanvullende verzekeringen zoals WAO of ziektekosten voor zelfstandig ondernemers. Op de website www.bpv.nl of www.hivnet.org kunt u informatie vinden over deze verzekeringsgevolgen.

 

Meer informatie?

Met uw vragen kunt u natuurlijk altijd terecht bij uw verloskundige, huisarts of gynaecoloog. Ook op de website www.gezondebaby.nl kunt u meer informatie vinden over onder meer leven met hiv of aids, werken met hiv, en de gevolgen voor verzekeringen.


Andere seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA)

Hierboven werden al de seksueel overdraagbare aandoeningen lues, hepatitis B en hiv besproken. Bent u bang dat u of uw partner door wisselende seksuele contacten een andere seksueel overdraagbare ziekte hebt opgelopen, dan is het belangrijk dit aan uw verloskundige, huisarts of gynaecoloog te vertellen.Voorbeelden van seksueel overdraagbare ziekten zijn chlamydia en gonorroe (druiper). Soms veroorzaken deze infecties onvruchtbaarheid. Niet altijd geven ze klachten. Het kind kan na de geboorte een oogontsteking of een longontsteking krijgen. Onderzoek is mogelijk door onder andere een kweek van de baarmoedermond af te nemen. De behandeling bestaat uit een antibioticakuur die niet schadelijk is voor het ongeboren kind. Ook uw partner wordt doorgaans behandeld.


Rodehond (Rubella)

Ook rodehond (rubella) is een infectieziekte, veroorzaakt door een virus. Meestal bent u door het doormaken van de ziekte en/of vaccinatie reeds beschermd tegen deze ziekte. In enkele gevallen vindt bloedonderzoek naar rubella-antistoffen plaats. Als u geen antistoffen tegen rodehond hebt, kan een infectie tijdens de zwangerschap aangeboren afwijkingen bij het kind veroorzaken. Als u geen antistoffen tegen rodehond heeft, kunt u in of na het kraambed een vaccinatie krijgen tegen BMR (bof, mazelen en rodehond), zodat u voortaan hiertegen beschermd bent.

Deze informatie(-brochure) is mogelijk gemaakt met financiering van het College voor zorgverzekeringen.

© 2005 NVOG, KNOV, NHG, LHV, VVAH, LVE, Erfocentrum en CVZ.

Deze informatie(-brochure) is tot stand gekomen in een samenwerkingsverband van de Commissie Patiëntenvoorlichting van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG), de Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen (KNOV), het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG), de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV), de Vereniging Verloskundig Actieve Huisartsen (VVAH), de Landelijke Vereniging Entadministraties (LVE), het Erfocentrum en het College voor zorgverzekeringen (CVZ). Iedereen mag deze informatie(-brochure) zonder toestemming vermenigvuldigen, mits integraal, onverkort en met bronvermelding. Deze informatie(-brochure) geeft een beeld van wat de zwangere normaliter aan zorg en voorlichting kan verwachten. Soms geeft de verloskundige of arts u andere informatie of adviezen, bijvoorbeeld omdat uw situatie anders is of omdat men in de praktijk andere procedures volgt. Schriftelijke voorlichting is altijd een aanvulling op het gesprek met de verloskundige of arts. Daarom zijn bovengenoemde organisaties niet juridisch aansprakelijk voor eventuele tekortkomingen van deze brochure. Wel hebben zij zeer veel aandacht besteed aan de inhoud. Dit betekent dat de informatie(-brochure) geen belangrijke fouten bevat, en dat de meerderheid van de Nederlandse verloskundigen, huisartsen en gynaecologen het eens is met de inhoud. Andere folders en brochures op het gebied van de verloskunde, gynaecologie en voortplantingsgeneeskunde zijn te vinden op de websites van de NVOG: www.nvog.nl, het NHG: http://nhg.artsennet.nl, de KNOV: www.knov.nl (onder de rubriek patiëntenvoorlichting), het Erfocentrum: www.zwangernu.nl of op www.gezondebaby.nl van het CVZ. Achter in deze brochure vindt u meer relevante webadressen. Samenstelling en redactie: E.A. Bakkum (NVOG), T. Drenthen (NHG), S. Flikweert (NHG, LHV en VVAH), K. Zeeman (KNOV), E. van Vliet (Erfocentrum), E. Groten (LVE) en M. Witteveen (CVZ).